1.
Stretch de spieren van de rug |
 |
Dit is de
eerste stap van het a-b-c-b-a patroon op de rug (a=stretch, b=druk
met de handpalmen, c=druk met de duimen op de meridianen ofwel
energiebanen). Zorg ervoor dat de armen van je cliënt naast
haar liggen met de handpalmen naar boven en dat haar nek recht
is. Deze stretch is een fijne en zachte stretch schuin over de
rug. Plaats een van je handen tegen de binnenkant van het schouderblad
en de andere hand op de onderrug aan de andere kant van de rug.
Druk door je gewicht te verplaatsen, en zorg ervoor niet op de
botten te duwen. Verwissel je handen en herhaal voor de andere
kant.
|
2. Handpalm
druk op de rug |
 |
Je wandelt
met je handpalmen over de rug vanaf de bekkenrand tot het schouderblad
en weer terug. Houd je handen op ongeveer 5 cm afstand van elkaar
in ‘Vlinder positie’. Zo duw je niet op de ruggengraat (deze is
tussen je handpalmen in). De hoeveelheid druk is afhankelijk van
je cliënt. Stop bij het schouderblad, een eind onder de 7e
nekwervel (de uitstekende nekwervelbij overgang nek-schouders),
zodat je niet op de nek duwt.
|
3. Druk op
de Sen meridianen van de rug. |
 |
|
|
Druk
op de drie meridianen van de rug met ‘wandelende duim druk’. Druk
op beide lijnen 1 samen, dan op beide lijnen 2 en dan op beide lijnen
3. Werk vanaf de bekkenrand tot aan de schouder en weer terug. Lijn
1 ligt aan de binnenkant van de lange rugspieren, tussen wervelkolom
en lange rugspieren (de lange rugspierenen zijn de 'kabels' aan
weerszijden van de wervelkolom). Lijn 2 ligt boven op de lange rugspieren
(daar waar deze 'kabels' het dikst zijn). Lijn 3 ligt aan de buitenkant
van de lange rugspieren, tegen de zijkant aan. De druk op lijn 1
is naar de ruggegraat toe gericht. De druk op lijn 2 is recht op
de spieren. De druk op lijn 3 is onderaan naar de ruggegraat toe
en tussen de schouderbladen naar de schouderbladen toe. Zorg ervoor
dat je drukt met je gewicht, niet met spierkracht. Dat doe je door
te 'leunen' op de duimen en je duimen gestrekt te houden, recht
onder je onderarmen. Houd je armen recht, en je schouders steeds
recht boven je handen.
|
Maak
het A-B-C-B-A patroon af door de handpalmdruk en daarna de stretch
van de rugspieren te herhalen. |
 |

|
4. Palm cirkels op de ribbenkas
|
|
 |
Gebruik palmcirkels
op de ribbenkas. Je begint bij de schouders en gaat via de zijkant
van de rug naar beneden tot het centrum van de rug. Visualiseer
dat je gestagneerde energie en lymfe naar het hart toebrengt.
Spreid je vingers zodat ze tussen de ribben in liggen. Cirkel
rond het schouderblad, de schouders en de bovenarmen. Vergeet
niet de brede rugspieren (zijkant van de rug) en de achterkant
van de oksel.
|
5. Trek aan de monnikskapspier
|
 |
Trek aan de
monnikskapspier (bovenop de schouders) door je vingers in de bovenkant
van de schouders te haken, terwijl je terugleunt met je lichaamsgewicht
(gebruik dus geen of weinig spierkracht). Begin aan de buitenkant
op de deltaspieren (zijkant van de schouders) en steeds wat meer
naar het midden richting de nek van je cliënt.
|
6. Schouder mobilisatie
|
 |
Begin met
de linkerarm voor een vrouwelijke cliënt of met de rechterarm
voor een mannelijke cliënt. Vraag de cliënt om haar
hoofd dezelfde kant op te draaien. Buig de elleboog van je cliënt
en plaats haar hand achter op haar rug. Met haar hand in deze
positie roteer je de schouder eerst met de wijzers van de klok
mee en dan andersom. Roteer de schouder vijf keer in elke richting.
|
 |
Plaats dan
de pinkkant van je hand als een schep onder het schouderblad van
je cliënt en trek de schouder naar boven en naar je toe,
terwijl je onder het schouderblad duwt. Dit moet je doen op zo’n
manier dat je de deltaspieren (zijkant van de schouder) en de
borstspieren strekt.
|
7. Druk onder het schouderblad.
|
 |
Houd de hand
van je cliënt tegen haar onderrug om ervoor te zorgen dat
het schouderblad los staat en gebruik vingers of duim om op de
ruitvormige spier (tussen binnenkant schouderblad en ruggengraat)
te drukken onder het schouderblad. Neem hier ruim de tijd voor.
In dit gebied verzamelt zich vaak veel spanning, vooral bij cliënten
die veel op kantoor werken.
|